Augustinus en het Leven als Beproeving


Is het leven op aarde niet een beproeving? (Job: 7,1)

Beproeving als een aspect van het leven als reis
In een eerder artikel probeerde ik te beschrijven hoe Augustinus het leven ziet als een reis. Die reis heeft allerlei aspecten. Maar één daarvan wil ik wat uitvoeriger behandelen, namelijk de reis als beproeving. Het begin van de reis is natuurlijk het feit dat men zonder eigen initiatief in het leven geworpen is en maar moet zoeken naar betekenis en doel. Voor Augustinus is dat doel duidelijk. De reis moet gaan naar het vaderland waarvan men is vertrokken. Het is een terugkeer naar die verloren eenheid van het volledige zijn in God. Maar niet iedere reiziger heeft dat doel voor ogen.
Het perspectief zoals Augustinus die ziet ligt ook niet onmiddellijk voor de hand. Terwijl de meeste reizigers al blij zijn dat ze ergens op deze aardbol een plek gevonden hebben waar ze zich kunnen vestigen en rust vinden, is voor Augustinus het doel van de reis voorbij de laatste stad, om een beeld van de dichter Achterberg te gebruiken. Die reis zal een moeizame reis zijn vol hindernissen en verleidingen, waardoor de reiziger op de proef wordt gesteld. Augustinus vergelijkt zich met Odysseus, die zich door de bekoorlijke zang van de Sirenen en de zoete vergetelheid van de Lotuseters niet liet weerhouden zijn tocht voort te zetten.

Genieten en gebruiken
Daarom zijn aansporing om de moraal hoog te houden, dat wil zeggen dat de reiziger zich steeds van zijn einddoel bewust moet blijven en zich niet mag verliezen in welk ondergeschikt doel dan ook. In dat verband valt ook zijn ethisch beginsel te begrijpen om de wereld te gebruiken en niet als laatste doel te genieten. Een dergelijk visie staat haaks op de gangbare opvatting dat we hier en nu zo veel mogelijk zouden moeten genieten. In dit laatste geval wordt het genieten een doel op zich en de laatste zin van het leven, onafhankelijk ook van de aard van wat men geniet.

Het genieten heeft zijn grenzen
Het genieten van de wereld als laatste doel heeft echter zijn grenzen. Zo is alles wat men zou willen genieten aan vergankelijkheid onderhevig. Niets blijft wat het was. Degene die al zijn hoop heeft gesteld op wat vergankelijk is, bindt zich zelf ook aan vergankelijkheid. En wat dan nog te doen met die onuitroeibare onrust die steeds weer opkomt als men wat men wilde genieten eenmaal bezit? Het menselijk verlangen blijkt moeilijk te bevredigen, omdat het in wezen naar een overgankelijke vervulling streeft. Dat is de filosofie van Augustinus. Ze is dunkt me nog steeds niet aan veroudering toe.
De filosofie van het genieten veronderstelt namelijk dat de reiziger zijn leven in de hand kan houden en zijn weg tot het laatste zou kunnen bepalen. Maar wat is het geval als aan het genieten een einde komt door ongelukken die hij niet zelf in de hand heeft en die hem onvermijdelijk overkomen? Is zijn reis dan nog zinvol en heeft hij de moed om door te gaan?

De zin van de beproevingen
Bij het lezen van het tiende boek van Augustinus’ Belijdenissen stuitte ik op een hoofdstuk dat mij voor vragen stelde. Daarin stelt hij tot tweemaal de vraag: Is het leven op aarde niet een voortdurende beproeving? Daarmee citeert hij het boek Job, waarin deze bij alle rampen die hem overkomen Jahweh ter verantwoording roept en naar de zin vraagt van iets wat hij als onredelijk en onrechtvaardig ervaart. Deze vraag wordt in de context waarin Augustinus spreekt een retorische vraag. Dat betekent dat de lezer door de last van de argumenten die hij aandraagt moeilijk anders kan dan de vraag bevestigend beantwoorden: Ja, het leven is één grote beproeving.
Ik geef hier zijn redenering weer:

Is het leven van de mens op aarde niet een beproeving?

Wie verlangt er naar ellende en problemen?
Uw opdracht is het ze te verduren, niet van ze te houden. Geen mens houdt van wat hij moet verduren, ook al houdt hij ervan dat hij het kan verduren. En al is hij blij dat hij het kan verduren, toch zou hij liever willen dat hij niets had te verduren.

Bij tegenslagen verlang ik naar voorspoed en als ik in voorspoed leef, vrees ik tegenslagen. Bestaat er tussen beide toestanden niet een midden, waar het leven van de mens geen beproeving is?
Ellendig is de voorspoed van deze wereld, niet eenmaal, maar tweemaal, vanwege de vrees voor tegensspoed en de breekbaarheid van het geluk.
Ellendig is de tegenspoed van deze wereld, niet eenmaal of tweemaal, maar driemaal, vanwege het verlangen naar voorspoed, door de zwaarte van de tegenspoed en de vrees dat je het niet kunt verduren.
Is het leven van de mens op aarde niet één lange ononderbroken beproeving?
(Belijdenissen, Boek X, Hoofdstuk 39)

Je moet vaststellen dat Augustinus hier het leven in de meest donkere kleuren schildert. Zowel in voor- als tegenspoed blijkt het aangetast door zorg en kommer, een constatering die moeilijk valt te incasseren en waarmee we in deze tijd niet goed overweg kunnen. Maar in een breder perspectief valt er niet veel tegen in te brengen. Augustinus beschrijft hier het aardse leven in contrast met het volledige leven dat hij als reiziger verwacht en waarvan hij het licht even vanuit de verte heeft ervaren. In het perspectief van het volmaakte geluk dat hij verwacht wordt al het aardse geluk dan relatief en gekleurd door vergankelijkheid. Daarom begint hij dit hoofdstuk zo:

Wanneer ik uiteindelijk met U verenigd zal zijn met heel mijn wezen, zal er voor mij nergens meer ellende en pijn zijn. En mijn leven zal geheel en al van U vervuld zijn.

Natuurlijk valt er in het leven naast ellende en tegenslagen veel moois en goeds te beleven. Het geciteerde fragment sluit dat absoluut niet uit. Het sluit ook het genieten van het goede en het schone niet uit.Maar hier wordt een totaalbeeld gegeven van de menselijke existentie. Het is een bestaan dat in de grond lijdt aan een gemis, dat in dit leven niet gecompenseerd kan worden, hoezeer iedere mens daar ook naar streeft.

Wat houdt het begrip beproeving in?
Daarom wil ik nagaan wat Augustinus bedoelt met beproeving als uiteindelijke kwalificatie van het leven. Hij ontleent de term aan de Bijbel en wel het boek Job 7,1. Dat boek is in het Hebreeuws geschreven. Merkwaardigerwijze betekent de term daar niet zonder meer beproeving, maar is hij een equivalent van slavenbestaan of het bestaan van een dagloner. In de Griekse vertaling uit het Hebreeuws, waarop ook de Latijnse vertaling van Augustinus zich baseert, wordt die term door beproeving (temptatio) vertaald. In mijn ogen een gelukkige interpretatie van het meer eenduidige slavenbestaan. De term beproeving geeft namelijk twee aspecten weer. Hij wordt gebruikt voor een zware kwelling die men ondergaat, maar ook voor het feit dat men daardoor op de proef wordt gesteld.

Op dit laatste aspect zou ik willen doorgaan, omdat dit aspect van de beproeving enige betekenis zou kunnen geven aan een reis die anders in veel opzichten zonder zin blijkt te zijn, al was het maar door de willekeurigheid en onevenredigheid van wat de reiziger kan overkomen. Voor Augustinus is het gezien bovenvermelde tekst duidelijk dat de ellende en de problemen in het leven deel uitmaken van Gods bestel. Ze blijken een onvermijdelijke factor in het leven, waaraan de reiziger niet kan ontkomen. Vandaar Gods opdracht om ze te verduren. De mens blijkt in dit fragment echter niet een masochist, die van ellende en problemen houdt. God van de andere kant geen sadist, die ervan zou houden mensen te pijnigen. Hij moedigt hen eerder aan om het vol te houden op de reis, zodat ze hun doel kunnen bereiken.

De orde der dingen
In zijn dialoog Over de orde probeert Augustinus de functie van het kwaad in de wereld te achterhalen. Daarmee bedoelt hij van de ene kant alle onheil die we van onze afhankelijkheid van de natuur hebben te verwachten. Maar daarnaast zeker ook het kwaad en de pijn die mensen elkaar en zichzelf aandoen Het ligt voor de hand God als schepper aansprakelijk te stellen voor al die rampen die de mensen overkomen en op grond daarvan te twijfelen aan zijn geloofwaardigheid. Maar dat blijkt voor Augustinus een te snelle conclusie. Hij stelt dat de mens vanwege zijn beperkte blik niet het geheel van de scheppingsorde kan overzien. Hij vergelijkt het met iemand die een klein deel van een groot mozaïek beschouwt en op grond van die ene waarneming oordeelt dat de kunstenaar een ondeugdelijk werk heeft geleverd, waardoor deze zelf ook niet meer geloofwaardig is. Om dit te weerleggen vergelijkt hij de schepping met een schilderstuk waarbij de kunstenaar naast lichte ook wel donkere tonen moest gebruiken.

Het kwaad is een wezenlijk onder deel van de reis
Met dat laatste stelt Augustinus vast dat het kwaad een wezenlijk en onmisbaar onderdeel vormt van dit aardse bestel. Het goede in deze wereld kan niet bestaan zonder het kwaad. Dat maakt het aannemelijk dat het kwaad een functie en een zin moet hebben. Want laten we uitgaan van het tegendeel. Wat is de betekenis van de reis, wanneer de reiziger alleen maar het goede zou ontmoeten en zijn weg zou gaan op een volledig geëffend pad zonder enig obstakel? Stel dat alles op die weg volledig te voorzien en te controleren zou zijn. Wat voor zin heeft zo’n reis nog zonder enige uitdaging en zonder enig risico en avontuur? De reiziger moet wel tot de slotsom komen dat zijn reis nauwelijks nog de moeite waard is en het daarom geen zin heeft hem te ondernemen.

In de aangehaalde tekst heeft de houding van de reiziger tot de beproevingen die hij ontmoet twee kanten. Het spreekt vanzelf dat hij ellende en beproevingen niet zoekt en wil vermijden, maar, wanneer ze hem eenmaal op zijn weg zijn overkomen, doet het hem goed dat hij ze het hoofd kon bieden. Het zit kennelijk in de menselijke natuur dat hij ondanks de obstakels die hij ontmoet vooruit wil komen. Of moet je niet liever zeggen dat hij juist vooruit kan komen dankzij de ellende en problemen die hij weet te overwinnen?

Beproevingen helpen de reiziger verder te gaan
Wat is de positieve invloed die beproevingen in het leven kunnen hebben? In de filosofie van Augustinus kunnen ze de mens tot het groeiende besef brengen van de beperktheid en vergankelijkheid van al zijn aardse doelen. Daardoor kan hij tot het inzicht komen dat hij er niet heel zijn hart aan moet verpanden. Het kan bij hem de herinnering oproepen van het onvergankelijke doel waar zijn hart van spreekt, het besef dat hij op doorreis is naar het vaderland, waar zijn oorsprong ligt.

De confrontatie met ellende en problemen hoeft dus niet noodzakelijk te leiden tot verbittering of ongeloof. Het kan mensen wakker schudden met de vraag of zij zich niet teveel gehecht hebben aan zaken die geen blijvende waarde bezitten en dat het beter is zich te hechten aan meer blijvende. Het zal hen kunnen doen inzien dat problemen wezenlijk tot de reis behoren en dat de confrontatie ermee hen ondanks alle kleerscheuren innerlijk kan verrijken.

De reis is een groeiproces
Wanneer je het leven ziet als een groeiproces, dan blijkt dat die groei voor een belangrijk deel wordt bevorderd door het overwinnen van problemen. Vanuit dit perspectief is het te begrijpen dat de reiziger steeds weer op de proef gesteld moet worden wil hij vooruit komen. Zoiets is kennelijk in het bestaan ingebakken. Daarom leidt de poging om kinderen van jongs af aan vrij te houden van alle obstakels meestal niet tot hun geluk, integendeel.

Dat houdt natuurlijk niet in dat beproevingen gezocht moeten worden puur om te bewijzen dat men ze aankan. Maar je kunt ze niet vermijden. Ze komen vanzelf en ongewild op je weg. De formulering van Augustinus is daar duidelijk over:
Uw opdracht is het ze te verduren, niet van ze te houden. Geen mens houdt van wat hij moet verduren, ook al houdt hij ervan dat hij het kan verduren. En al is hij blij dat hij het kan verduren, toch zou hij liever willen dat hij niets had te verduren.

Deze blijdschap dat men beproevingen kan verduren ligt dan niet zozeer in de verdienstelijkheid daarvan, maar meer in het feit dat de reiziger tot inkeer komt en beseft waar het in het leven om gaat. Dat wil zeggen dat hij vordert op de weg waarin hij moet worden die hij is, iemand die steeds meer doordrongen is van de bestemming, waar Augustinus van spreekt:
Wanneer ik uiteindelijk met U verenigd zal zijn met heel mijn wezen, zal er voor mij nergens meer ellende en pijn zijn. En mijn leven zal geheel en al van U vervuld zijn.