Augustinus
over het kennen van God
Uit de Belijdenissen, Hoofdstuk 1-40,
over het kennen van God
Uit de Belijdenissen, Hoofdstuk 1-40,
Vertaling, analyse en commentaar
Al lang was ik van plan deze tekst van Augustinus grondig te lezen en nader te analyseren. Het is een tekst die mij bijzonder heeft geboeid en steeds opnieuw kan boeien. Ze zoekt naar de bron van religiositeit vanuit de innerlijke ervaring. Ik denk dat deze hoofdstukken voor hen die daarin geïnteresseerd zijn een bron van inspiratie kunnen vormen.
Ik kies met name deze hoofdstukken uit het Tiende Boek van Augustinus Belijdenissen, omdat ik meen dat ze afzonderlijk gelezen kunnen worden. Bovendien zijn ze gewijd aan de grondslagen van zijn filosofie. Ze behandelen zijn innerlijke zoektocht als een gegeven dat universeel is en daarom voor iedereen toegankelijk.
Om in de tekst te komen heb ik deze hoofdstukken opnieuw vertaald. Gaandeweg de vertaling bleek mij al gauw hoe je bijna onwillekeurig deze tekst interpreteert vanuit de rails van een bepaalde christelijke en kerkelijke traditie van latere tijd. Om daaraan te ontkomen wil ik ze zoveel mogelijk lezen als een literaire tekst, een algemeen menselijke, zo je wil filosofische tekst, maar zonder onmiddellijk uit te gaan van zijn kerkelijke en theologische implicaties.
De dertien boeken waaruit de Belijdenissen bestaan kun je onderverdelen in twee groepen. De eerste negen boeken, die de geschiedenis van zijn bekering beschrijven en voor de meeste lezers het hoofddeel vormen en de laatste vier boeken die handelen over meer algemene filosofische en theologische onderwerpen.
Op het eerste gezicht lijkt er weinig verband tussen de eerste negen meer biografische boeken en de vier boeken die er op volgen. Te meer daar het Tiende Boek binnen de laatste vier weer een bijzondere plaats inneemt. Het heeft tweemaal de omvang van de andere boeken van de Belijdenissen en de uitvoerige uitweiding over de herinnering en de zoektocht naar God wekt de veronderstelling dat het hier gaat over een afzonderlijk traktaat dat later is toegevoegd.
Het tiende boek is in de Belijdenissen een soort scharnier
Maar bij nadere beschouwing heeft het Tiende Boek toch een duidelijk verband met wat voorafgaat en volgt. Binnen de Belijdenissen heeft het de functie van een soort scharnier tussen enerzijds de eerste negen boeken, waarin Augustinus de geschiedenis van zijn bekering beschrijft en anderzijds de latere boeken. Die gaan volgens zijn eigen woorden niet meerde over hoe hij geweest is, maar hoe hij is, op het moment dat hij de Belijdenissen schrijft. Ze beschrijven dus zijn actuele religieuze visie en beleving.
In het Tiende Boek en ook in de volgende boeken wordt het meer en meer duidelijk dat het Augustinus in zijn Belijdenissen en dus ook in de autobiografische boeken om meer gaat dan om een beschrijving van zijn persoonlijke leven. De latere boeken laten zien dat je zijn levensgeschiedenis moet zien in een meer universeel en kosmisch kader. Zijn geschiedenis is in zekere zin exemplarisch voor de geschiedenis van iedere mens, die, weggeraakt van zijn oorsprong, zijn oorspronkelijke bestemming na veel zoeken en strijd terugvindt. Hier worden de platonische en de christelijke visie op de bestemming van mens en kosmos in elkaar gevoegd.
In het Tiende Boek zoekt Augustinus uitvoerig naar de plek waar God huist. Zijn tocht gaat langs heel de zintuiglijk waarneembare wereld buiten hem. Maar, terwijl heel de schepping van God spreekt, getuigt ze dat ze God niet is. Hij gaat dan voorbij aan de wereld buiten hem en zoekt naar God in het innerlijk van de menselijke ziel. Hij zoekt in de weidse ruimten van het geheugen naar een plek waar hij zich God kan herinneren. Maar ook het geheugen heeft lagen en hij stijgt op naar het uiterste gebied, waar een notie van God aanwezig is. Hij vindt die notie uiteindelijk in het universele verlangen naar geluk en waarheid, dat in principe in iedere mens is ingeboren.
Zijn tocht blijkt een gang te zijn vanuit het vele waarin de mens zich verloren heeft naar het Ene, de enige waarheid die God is Het is ook een tocht vanuit de lagere regionen naar omhoog, vanuit een animaal leven naar een meer geestelijk leven. Dat deze tocht tezelfdertijd een bewustwording is van de verborgen diepten van het bewustzijn, een tocht naar binnen, naar omlaag, naar de eigen diepten, is daarmee niet in tegenspraak.
Waarom de eerste veertig hoofdstukken?
Binnen het Tiende Boek vormen zoals al aangegeven de eerste veertig hoofdstukken weer een aparte eenheid. Ze beschrijven bovengenoemde innerlijke zoektocht naar God. Het gaat hier in feite om het doel en ideaal van iedere mens. De hoofdstukken die daarop volgen beschrijven in hoeverre Augustinus persoonlijk gevorderd is in het bereiken van dit doel. Hier blijkt ascese een belangrijke factor. En hoewel ascese een belangrijke voorwaarde is voor de zoektocht naar God, is dit een apart verhaal dat een eigen aandacht verdient.
Voor tekst en commentaar zie:
0 reacties:
Een reactie plaatsen