Camus en Augustinus: De derde weg



Ik vraag me af wat de betekenis is van Augustinus mens- en wereldbeeld is voor onze tijd. Het is niet vanzelfsprekend dat een filosoof die zestien eeuwen geleden in Afrika leefde nog iets verhelderends zou kunnen zeggen in deze tijd.
Vaak wordt gesteld dat zich in de moderne tijd een ontwikkeling heeft voorgedaan waarbij ziel en wereld van elkaar zijn gescheiden en dat we die scheiding der wegen als onherroepelijk moeten accepteren. Maar de tweede helft van die uitspraak vind ik iets te stellig en overtuigt mij niet.
Als alternatief van die twee gescheiden wegen moet er een derde, wellicht meer oorspronkelijke weg te vinden zijn die de huidige tegenstelling kan overbruggen. Mijn veronderstelling is dat het Augustijnse mens- en wereldbeeld niet achterhaald is, maar ook nu een brug kan vormen tussen de verloren ziel en de wereld. Ik zou dat graag willen illustreren aan de hand van twee Afrikaanse filosofen, Camus en Augustinus

Camus en Augustinus
Uitgangspunt van mijn betoog vormen een tweetal uitspraken van de Franse auteur Albert Camus, uit een geschrift dat nooit eerder is uitgegeven, maar is opgenomen in zijn verzameld werk. Het opstel is getiteld Tussen Plotinus en Sint Augustinus en werd destijds geschreven als proefschrift ter afsluiting van zijn filosofische studie.
Hoewel het essay de vorm heeft van een wetenschappelijke verhandeling , verraadt de keuze van het onderwerp ook een persoonlijk belang. Het gaat hier namelijk om twee filosofen, die net als Camus van Afrikaanse afkomst waren en die leefden in een tijd waarin het christelijke denken in nauw contact stond met het antieke denken en er een sterke invloed van ondervond.

In ruimere zin zou je de studie van Camus ook kunnen opvatten als een persoonlijke zoektocht naar de oorsprong van twee bepalende stromingen in onze cultuur, waarbinnen hij zijn houding meende te moeten bepalen. Achter het onderwerp van zijn studie schuilt dan de vraag : Wat is in onze tijd de verhouding tussen humanisme en christendom? Daarmee zocht hij een persoonlijke uitweg uit een impasse, waarin deze twee levensbeschouwingen in de loop der tijd waren geraakt door zich ieder in haar eigen denksysteem terug te trekken. De uitweg uit die impasse moest voor Camus ergens tussen Augustinus en Plotinus te vinden zijn.

De onoverbrugbare kloof
Hoewel Camus de invloed die het hellenisme op het christendom heeft gehad onderstreept, ziet hij in feite tussen beide levensopvattingen een onoverbrugbare kloof. Hij formuleert dat als volgt:

Het hellenisme gaat ervan uit dat de mens genoeg heeft aan zichzelf en dat hij in zich alle middelen bezit om het universum en het lot te verklaren.
Daartegenover stelt hij:
Het kan niet genoeg benadrukt worden dat het christendom zijn centrum vindt in Christus en zijn dood.
Bovenstaande karakteristiek van het hellenisme zou ook kunnen gelden voor het huidige door de Verlichting geïnspireerde antropocentrische mensbeeld. De moderne mens vindt zijn centrum in zichzelf. Daar heeft hij via zijn ratio alle middelen ter beschikking om zijn lot te kennen en zijn bestemming te bereiken. Kortom: hij kan zichzelf redden en heeft geen heilbrenger nodig.

Daartegenover dringt zich het beeld op van de christen, die zijn centrum vindt in Christus : je moet wel concluderen dat hij niet antropocentrisch is gericht. Hij leeft niet vanuit zijn eigen innerlijk en kan zichzelf niet redden.Hij heeft zich afhankelijk gesteld van het lot van een ander persoon : Christus en zijn dood en bijgevolg liggen ook de middelen die hem ten dienste staan (de heilige schriften, de sacramenten, de dogma’s van zijn geloof en een hele kerkorganisatie) buiten hem.
Ik haalde Camus aan, omdat ik in zijn formulering een karakteristiek vond van de twee uiteenlopende wegen, die tot in onze tijd opgeld doen en beide dreigen dood te lopen. En hoewel hij over beide richtingen geen oordeel uitspreekt, wekt zijn betoog toch de indruk dat hij geen van beide wegen zou willen bewandelen, omdat beide te exclusief en te eenzijdig zijn. Zijn belangstelling voor Augustinus en Plotinus doet vermoeden dat hij het spoor zocht van een derde weg, die tegelijkertijd de verloren oorspronkelijke weg moest zijn.

De weg naar binnen
Het wordt algemeen als Augustinus verdienste gezien dat hij de inzichten van de antieke hellenistische filosofie en de gegevens van het christelijk geloof tot één visie heeft weten te verbinden. Een belangrijk inzicht daarbij is dat hij in navolging van Plotinus benadrukt dat het centrum van kennis en waarheid is gesitueerd in het innerlijk van de mens. Ook de religieuze kennis valt daaronder en religieuze gegevens zoals Christus en zijn dood moeten bijgevolg vanuit de menselijke ziel worden verklaard. Daaruit blijkt al dat zijn uitgangspunt vanaf het begin antropocentrisch is, maar tegelijk ook religieus, omdat bij hem mensgerichtheid ook Godgerichtheid impliceert.

Augustinus interpretatie van de menselijke ratio
Centraal in zijn visie staat zijn religieuze interpretatie van de menselijke ratio, een begrip dat overeenkomt met het Griekse begrip logos,dat zowel rede als het uit de rede voortgekomen woord betekent. Daarbij moet worden vastgesteld dat dit menselijk vermogen bij Augustinus aanzienlijk meer reikwijdte heeft dan ons huidige begrip van de menselijke rede, dat sterk door de Verlichting is bepaald. Dat heeft onmiddellijk te maken met een ontwikkeling in de moderne tijd, waarin de natuurwetenschappen zich sterk hebben ontwikkeld. Deze op zichzelf gunstige ontwikkeling heeft echter haar keerzijde gehad, doordat de natuurwetenschappelijke kennis eenzijdig is benadrukt en tot norm verheven.

De hedendaagse inperking van de ratio 
Bijgevolg is het begrip ratio danig ingeperkt. Kennis van de ziel en daarbij ook religieus geloof worden zo verbannen naar het schemerachtige gebied van de irrationaliteit en de subjectiviteit. Je kunt zelfs zeggen dat er op het spreken over de ziel een soort heimelijk verbod rust, alsof je spreekt over de schim van een reeds lang gestorvene.


De rijkdom van het menselijk bewustzijn Maar deze ontwikkeling hoeft ons niet te verhinderen te sympathiseren met Augustinus’ brede visie op de ratio die werkzaam is op heel het gebied van de menselijke ziel. In het tiende boek van zijn Belijdenissen onderneemt hij een reis door de ruimten van zijn ziel. Dat is een huis met vele zalen. Het omvat heel het menselijke bewustzijn: het geheugen, het geweten, het verlangen, en in de top van de ziel de notie van een aanwezige God, die dat verlangen kan vervullen. Je moet zo’n rijk vermogen niet te snel negeren.


De innerlijke leraar manifesteert zich in de menselijke rede
Ook elders vermeldde ik al Augustinus’ aanname van een in de mens aanwezige innerlijke leraar. Dat is niet zozeer de inwoning van een bovennatuurlijke instantie, maar de menselijke Rede zelf, die al onze geestelijke vermogens exploiteert om tot kennis van de waarheid te komen. In tegenstelling tot de moderne opvatting van de ratio, die de nadruk legt op de menselijke individualiteit en de autonomie van het ik, ligt bij Augustinus de nadruk op de diepere lagen van de menselijke ziel, waar we bewust zijn van een innerlijk zelf, dat gemeenschappelijk is aan iedere mens. Dat bewustzijn verdeelt niet, maar is de basis van een collectieve verbondenheid van de mensheid. Daar is de plaats waar volgens Augustinus de Christus zich als goddelijke Ratio openbaart.

De weg naar de wereld
De vraag is nog niet beantwoord, hoe bij Augustinus vanuit dit religieus bewustzijn van een innerlijke goddelijke Ratio in de ziel nog een brug kan worden geslagen naar de wereld. Het is waar dat zijn nadruk op de innerlijkheid hem herhaaldelijk de verzuchting doet slaken dat de mensen teveel op de buitenwereld gericht zijn. Dat neemt niet weg dat hij oog heeft voor de wereld, juist in zoverre zich ook daar de goddelijke ratio openbaart. De ordening en de wetmatigheid in de wereld wordt hier niet gezien als een van de mens losstaand systeem, maar als onmiddellijk verwant met de wetmatigheid van de menselijke geest. Dat betekent dat ook de wereld en heel de kosmos met al zijn wetmatigheden vanuit de menselijke ratio religieus kan worden geduid.


Christus als kosmische Logos Augustinus bijzondere aandacht voor de Proloog van het evangelie van Johannes toont aan dat hij de Christus niet alleen ziet in een innerlijk, maar ook in een kosmisch perspectief. Beide perspectieven hebben immers met elkaar te maken. Hij is het eeuwige goddelijke Woord, de Logos, door wie vanaf het begin heel de kosmos is ontstaan, maar Hij is het ook die in de tijd is mens geworden.

De menswording van God is een breed gebeuren
Wanneer we dit kosmische perspectief serieus nemen, dan volgt daaruit dat we de menswording van Gods Woord in de tijd kunnen zien als de openbaring van een breed proces, waarin de goddelijke Logos zich vanaf het begin in zijn schepping heeft willen incarneren en nog steeds incarneert. Augustinus zegt in een kerstpreek: God is mens geworden, opdat de mens God zou worden.
Dat leidt tot het besef dat wij betrokken zijn in een groots scheppingsproces dat vanaf het begin gericht is op de vermenselijking en daarmee vergoddelijking van de wereld. De reikwijdte van dit scheppingsproces gaat ons begrip te boven, maar het is duidelijk dat daarin aan de mens een centrale rol is toebedeeld. Hij zal vanuit dit innerlijk religieus besef God tegenwoordig moeten stellen in de wereld, die de voortdurende scheppingsplaats is van de goddelijke Logos.

Heel de scheppingis sacraal
Dat houdt ook in dat we niet tegenover de wereld kunnen staan als een neutraal gegeven, dat we naar believen kunnen gebruiken of misbruiken. Het impliceert dat we in een wereld staan die vanaf het begin door het goddelijk stempel is getekend. Dat verplicht ons het gebruik van de wereld vanuit dit perspectief te beleven, wil het geen misbruik worden.




Op zoek naar de derde weg (variant)


In mijn zoektocht naar elementen in de spiritualiteit van Augustinus, die nog steeds kunnen inspireren, kwam ik op enkele uitspraken van de franse auteur Albert Camus, die me de moeite van het overwegen waard lijken.

Het werk van Camus is bekend vanwege zijn romans die opvallen door de soberheid, om niet te zeggen kaalheid van stijl. De romanfiguren moeten zonder God door het leven in een hun onverschillige wereld, waarin de zin ver te zoeken is. Velen zullen daarom misschien Camus onder de atheïstische schrijvers rekenen, maar zo’n negatieve kwalificatie zegt weinig, zeker wanneer je je verdiept in de oorsprong van zijn schrijverschap.

Tussen Plotinus en Augustinus
Minder bekend is namelijk, dat Camus als afsluiting van zijn studie in de filosofie een diepgaande verhandeling heeft geschreven over de verhouding tussen het christelijke en hellenistische denken, waarvan de titel verrassend luidt: Tussen Plotinus en Sint Augustinus. De studie heeft de vorm van een wetenschappelijke verhandeling , maar de keuze van het onderwerp verraadt tegelijkertijd een persoonlijk belang. Het gaat hier namelijk om twee filosofen, die net als Camus van Afrikaanse afkomst waren en die leefden in een tijd waarin het antieke en christelijke denken nauw met elkaar waren verbonden.

De verhouding tussen humanisme en christendom
Ruimer gezien fungeert de studie van Camus ook als een persoonlijke zoektocht naar de oorsprong van twee hoofdstromingen van onze cultuur, waartegenover hij meende zijn houding te moeten bepalen. Het onderwerp van zijn studie houdt de onuitgesproken vraag in: Wat is de verhouding tussen de door het Griekse denken beïnvloede levenshouding en de christelijke, korter gezegd, tussen humanisme en christendom? Daarmee zocht hij een persoonlijke weg uit een nog steeds bestaande impasse, waarin humanisme en christendom zich in welhaast onverzoenlijke stellingen hebben teruggetrokken en daardoor het vermogen missen de hedendaagse mens te inspireren. De uitweg uit die impasse moest voor Camus ergens tussen Augustinus en Plotinus te vinden zijn.

Het onderscheid
Hoewel Camus stelt dat de christelijke geloofsopvatting sterk door het Griekse denken is beïnvloed, ziet Camus toch een wezenlijk onderscheid, waardoor beide opvattingen in principe onverzoenlijk worden. Zijn formulering is als volgt: Het hellenisme gaat ervan uit dat de mens zichzelf voldoende is en dat hij in zich alle middelen bezit om het universum en het lot te verklaren. Daartegenover stelt hij:
Het kan niet genoeg benadrukt worden dat het Christendom zijn centrum vindt in Christus en zijn dood.

Is deze tegenstelling absoluut?
Daarmee lijkt Camus de onverzoenlijkheid tussen humanisme en christendom te bevestigen In deze formulering valt dit onderscheid niet anders op te vatten dan als een absolute tegenstelling. De christengelovige moet zijn kracht ontvangen van de persoon van Christus, de ongelovige is selfsupporting om zijn bestemming te bereiken.

De excentrische trekken van de christelijke levensopvatting
In eerste instantie valt de hellenistische levensopvatting, zo geformuleerd, aantrekkelijk te noemen. Ze komt immers overeen met de hedendaagse humanistische opvatting, waarin de mens zichzelf genoeg is en geen heilbrenger meer nodig heeft. Daaruit spreekt een hoge dunk van de mens. Hij heeft namelijk in zichzelf alle middelen ter beschikking om zijn bestemming te bereiken.
Daartegenover moet je Camus’ omschrijving van het christendom excentrisch noemen: de mens geeft zijn zelfstandigheid op en zoekt zijn steunpunt buiten zich in een externe figuur: de Christus, die Jezus blijkt te zijn. De indruk die wordt gewekt is duidelijk: de christen leeft niet vanuit zijn eigen innerlijk, maar stelt zich afhankelijk van het lot van een ander persoon (Christus en zijn dood) en de middelen die hem daarbij ten dienste staan liggen buiten hem (de bijbel, de sacramenten, het dogmatisch geloof, een hele kerkorganisatie).

Augustinus' filosofie probeert die tegenstelling te verzoenen
Zulk een exclusieve visie mag dan historisch gedeeltelijk juist zijn, voorzover zowel christendom als atheïsme zich steeds tegen elkaar hebben afgezet. Maar, het zou een misvatting zijn deze exclusieve opvatting ook op Augustinus toe te passen. Zijn poging om een synthese te bereiken tussen hellenisme en christendom moet serieus genomen worden. Bij hem sluit het christelijke denken het natuurlijke niet uit, want ook de natuur is een goddelijk gegeven. Het doet mij denken aan het dilemma van natuur of genade wat in feite een schijndilemma is, omdat voor Augustinus beide elkaar impliceren: ook natuur is genade, dwz christen zijn veronderstelt altijd een menselijke basis.

Beide wegen blijken dood te lopen
De onverzoenlijkheid tussen hellenisme en christendom mag historisch misschien een feit zijn, ideologisch hoeft dat niet zo te zijn.
Camus kiest min of meer voor de hellenistische traditie, dat betekent voor het humanisme, voor zover de mens in zichzelf de middelen moet aanspreken om zijn lot te realiseren. Voor het christendom is de visie als zou het de middelen om zijn bestemming te bereiken buiten de mens gelegen zijn fnuikend, zolang het zou volharden in een antihumanistisch standpunt. Het bevestigt daardoor een karikatuur van wat het idealiter zou kunnen zijn.
Het humanisme heeft gelijk wanneer het de menselijke autonomie   benadrukt en de waarde van de interioriteit, van het persoonlijke geweten en inzicht handhaaft. Maar deze autonomie, deze onafhankelijkheid van uitwendige bronnen impliceert niet dat de mens zichzelf genoeg is.

Augustinus' opvatting over de Innerlijke leraar biedt een nieuw perspectief
Vandaar dat de visie van Augustinus op de aanwezigheid van de innerlijke leraar in iedere mens een bevrijdende uitweg kan zijn uit de beschreven impasse. Hij stelt immers de Christus centraal, maar ook de mens, doordat in het diepst van het menselijk innerlijk, in het diepst van zijn geweten, de Christus, als de Logos, de bron vormt van kennis over lot en bestemming. De Logos openbaart zich in de menselijke ratio, in zijn inzicht en zijn geweten.
Maar dit betekent dat de mens als ik, als individu zichzelf niet genoeg is, en dat hij naar de diepere lagen van zijn wezen moet afdalen, daar waar hij raakt aan het innerlijke transcendente Zelf dat het individuele overstijgt en waarin hij deel heeft aan het collectieve weten van de mensheid.
Het kan niet anders of daar moet de plaats van de Christus zijn, van de Logos, de Mensenzoon, die met de mensheid een mystiek lichaam vormt.

Deze aanwezigheid van de Logos in iedere mens is een universeel gegeven. Ik vraag me dan ook af in hoeverre deze visie nog past binnen het gangbare kerkelijke en christelijke kader. Ik herinner me een uitspraak van Augustinus waarin hij zegt: De Kerk dat is de wereld. Zo'n uitspraak strookt in ieder geval niet met bestaande institutionele grenzen. Want in Augustinus' visie omvat de Kerk in principe heel de mensheid, geen mens uitgezonderd.

De rol van Christus en zijn dood
Het proefschrift van Camus heeft als titel Tussen Plotinus en Sint Augustinus. Ik heb geprobeerd te achterhalen waarom juist deze twee? Het meest voor de hand liggend is dat Plotinus het hellenisme vertegenwoordigt en Augustinus het christendom. Maar in feite is er geen sprake van een absolute tegenstelling tussen deze twee figuren. Augustinus is sterk door Plotinus beïnvloed. De neoplatoonse visie is overal in zijn werk aanwezig. Wanneer er een tegenstelling bestaat, dan wordt die gevormd door de plaats van Christus en zijn dood, zoals Camus benadrukt. Dit gegeven vormt voor Camus een onoverkomelijk obstakel voor een humanistische interpretatie.

Humanisme en Christendom moeten verzoend worden
Zoals ik al eerder stelde: die tegenstelling tussen humanisme en christendom is niet absoluut en ik probeer zo lang mogelijk vast te houden aan de thesis dat hellenisme (humanisme) en christendom te verzoenen zijn en verzoend moeten worden. Dat vraagt ongetwijfeld een herinterpretatie van wat men het christelijk erfgoed noemt in een meer universele en humanistische zin. Een visie op de figuur van Christus als goddelijke Logos, die niet in het anecdotische blijft hangen, maar hem ziet in zijn kosmische tegenwoordigheid. Ik denk in dit licht ook aan het herformuleren van begrippen als schepping, openbaring, incarnatie, en van noties als bovennatuurlijk en natuurlijk, immanentie en transcendentie. Ik heb de indruk dat het christelijke erfgoed door een kerkelijke theologie in het verleden grondig is dichtgetimmerd, zodat de weg naar een vernieuwde spiritualiteit gesloten blijft. En ik tref maar weinig mensen die daar eens een meer frisse visie tegenover stellen.

Christus als Innerlijke Leraar
Ik wil nog één keer uitgaan van de stelling van Camus t.a.v. het hellenisme (humanisme): L’hellénisme implique que l’homme peut se suffire et qu’il porte en lui de quoi expliquer l’univers et le destin.

Augustinus’ aanname van de magister interior komt in hoge mate aan de definitie van Camus tegemoet. Het veronderstelt in ieder geval dat er geen gezag of hulp van buiten nodig of gewenst is. Het veronderstelt dat de mens in zichzelf de middelen vindt die hem kennis verschaffen omtrent lot en universum. De magister interior is een persoon en wordt door Augustinus geïdentificeerd met de Christus, maar hij manifesteert zich in inzichten van de menselijke rede: in oordelen, intuïties, noties, die universeel zijn en in principe voor eenieder toegankelijk. Het is de manier waarop men de Christus ziet en beleeft waar het hierom gaat. Het is mijn inziens helaas niet de Christus die de traditionele kerken ons voorschotelen.

De Christus als de Logos
De vraag is hoe we de Christus moeten zien en hoe Augustinus hem zag. Ik vermeldde al dat Augustinus bijzonder werd aangetrokken door het evangelie van Johannes. De identificatie van Christus met het Woord, de Logos, doet vermoeden dat hij heeft begrepen dat de Christus kosmische dimensies heeft. Hij is het door wie alles is ontstaan, hij is het leven van al wat is, hij is het licht van de mensen. Het is het Woord dat in de wereld is geïncarneerd en zich in het bijzonder heeft geopenbaard in de persoon van Jezus. Maar het is niet zozeer tot de historische Jezus, maar tot het eeuwige Woord, die vóór de historie was, dat Augustinus zich richt. Een persoon die in de historie werkzaam was, zeker, maar een persoon die vanaf den beginne in de wereld en de kosmos werkzaam is en was. Vandaar dat, zoals ik al eerder stelde, het begrip incarnatie niet exclusief op de historische persoon van Jezus zou moeten worden begrepen, maar op de incarnatie van de goddelijke Logos vanaf het begin in de wereld en in iedere mens. Het Woord, de Christus, is werkzaam en wil werkzaam zijn in ieder mens als goddelijk, scheppend beginsel en het moet in ieder mens vlees worden d.w.z uitgesproken worden en zich ontplooien.

Een spiritualiteit van het scheppende Woord
De Logos is werkzaam in heel de schepping. Augustinus zegt in een kerstpreek: God is mens geworden opdat de mens God zou worden. Het gaat om een groots proces: de vermenselijking en daarmee de vergoddelijking van de wereld, niets uitgezonderd. Of de wereld het zich bewust is of niet: alles streeft naar een voltooiing. Daarom bestrijkt de spiritualiteit van het scheppende Woord, van de scheppende Logos alle gebieden van het menselijke. Het gaat erom dat ieder zich dat bewust zou worden en zich invoegt in dit proces en zich er door laat leiden.